Uit de praktijk

Zoals het hoort

Maikel van 7 jaar is geneigd om veel te doen zoals zijn omgeving vindt dat het hoort. Hij bouwt een boerderij.

Er mogen alleen boerderij dieren in de boerderij wonen met 1 boer. Alle dieren staan netjes in een hok, zoals het hoort. Er komt  een kindje (een playmobil popje) bij die het maar saai vindt op de boerderij. Hij zet de hokken van de dieren open. Dat mag niet van de boer want dan kunnen de dieren weg lopen. Daar is de boer bang voor. De enige oplossing om te voorkomen dat de dieren weg lopen is dus dat de hokken dicht blijven.

Het kindje wil nog iets proberen om het minder saai te maken op de boerderij. Mogen er andere dieren erbij? Een flamingo misschien? Nee, die laat Maikel weer terug vliegen naar waar hij vandaan kwam. Er mogen nu wel 2 honden bij. Er komt beweging in het spelbeeld van Maikel, er is een ingang tot verandering.

Het kindje probeert nog eens iets: hij wil de hokken onderling open maken zodat de dieren in elkaars hok kunnen komen. Mag dat van Maikel en de boer?

Dat kan wel, zegt Maikel. Ik vraag hoe de dieren dat vinden. Dat vinden de dieren fijner, zegt Maikel. Samen ontdekken we dat sommige dingen ook op een andere manier kunnen, dat mag ook. En dat verandering iets goeds kan brengen!

Maikel speelt in dit spel afwisselend de boer en het kindje. Maikel is een gefingeerde naam om de privacy te waarborgen.

Ziek en alleen

Anne (8) kan niet makkelijk praten over haar ziekenhuis ervaringen. Ze speelt het uit met de playmobil. Door haar aan te moedigen en open vragen te stellen kan ze in tekeningen laten zien hoe de geesten eruit zagen. Het is duidelijk dat ze de neuszonde erg vervelend had gevonden. Anne tekende liever geen neus… Omdat ze zich alleen voelde heeft ze, onbewust, gezocht naar steun. Deze vond ze in haar overleden tante. Haar tante was belangrijk voor haar en niet lang voor de ziekenhuisopname overleden. Anne voelde de aanwezigheid van haar tante in het ziekenhuis en had daar steun aan. Na de ziekenhuis opname had Anne last van geesten. Ook deze geesten kon ze tekenen. Opnieuw hielpen vragen en aanmoedigingen haar om de geesten concreet te maken. Er waren goede en slechte geesten. De goede geesten moesten het opnemen tegen de slechte. Anne kon aangeven waaraan je kon zien of het een goede of slechte geest was. Ze vertelt onder het tekenen dat een van de goede geesten haar overleden tante is.

SAMSUNG

Anne begint te ordenen, zo krijgt ze meer grip op alles wat ze ervaart.

In een gesprekje komen we erachter dat de geesten er zijn sinds de ziekenhuis opname. De goede geesten vochten tegen de slechten, ze probeerden de slechte geesten te verjagen.

Anne heeft de geesten ‘bedacht’ om de moeilijke ervaringen in het ziekenhuis aan te kunnen. Nu ze niet meer in het ziekenhuis ligt zijn de geesten niet meer functioneel.

Toch vallen de geesten Anne nog geregeld lastig in haar dromen en belevingen. Als we ontdekken dat de goede geesten goed werk verricht hebben in het ziekenhuis vechten tegen de slechte geesten (het ziek zijn, de angst, de moeilijke situatie) maar nu niet meer nodig zijn besluiten we dat de geesten kunnen vertrekken. Anne voelt zich echter nog niet sterk genoeg om de geesten te vertellen dat ze weg kunnen. Samen bedenken we hoe ze de geesten kan verjagen.

Anne geeft de ideeën aan:
– de geesten kunnen niet tegen licht
– de geesten kunnen niet tegen een geurtje
– met zwaarden kan Anne ze verjagen

In de spelkamer oefenen we met het verjagen van de slechte geesten, we gebruiken zaklampen want licht vinden ze vervelend. Thuis zet Anne een geurtje op haar kamer. Anne voelt zich sterker worden en neemt meer initiatief in het spel. Om Anne ook verbaal weerbaarder te maken geef ik woorden aan wat we doen en moedig ik Anne aan te oefenen met de woorden. Na een paar weken zijn de geesten weg. De fijne herinneringen aan haar tante blijven achter.

Loyaliteit

Elk kind is loyaal naar zijn (of haar) ouders. Maar wat betekent dat ?

Loyaliteit is de manier waarop de onderlinge band tussen ouders en kinderen ervaren wordt. Het gaat om de relaties waarbinnen mensen (groot en klein) hun identiteit ontwikkelen. Meestal zijn dit de gezinsrelaties. Het is een onderlinge band die over fysieke, geografische en psychologische scheidingen heen gaat.

Kinderen mogen vertrouwen op hun ouders, zo bouwen zij loyaliteit op. Ook als relaties ernstig op de proef worden gesteld blijft (een bepaalde mate van) loyaliteit bestaan. Soms kan de loyaliteit ‘vervormen’.

Een veel voorkomende vervorming is de ‘gespleten loyaliteit’. Deze komt vaak voor bij kinderen van gescheiden ouders. Er wordt een klemsituatie ervaren: ‘wat ik ook doe, ik kan niet het goede doen’. Kinderen ervaren vaak (onbedoeld!) dat wanneer zij voor de ene ouder kiezen, dat ze tegen de andere ouder kiezen. Dit kiezen is meestal klein: het was gezellig bij papa (‘dus niet bij mama?’).

Dit kan zichtbaar worden in de spelkamer. Sommige kinderen kunnen heel concreet onder woorden brengen waar ze last van hebben in een dergelijke situatie. Anderen laten het is spel zien:

Olle is 6 jaar als hij naar de spelkamer komt. Hij heeft vele veranderingen meegemaakt in zijn gezinssituatie. Zijn ouders zijn gescheiden en beide hebben een nieuwe partner. Bij de ene ouder heeft Olle twee stiefzusjes erbij gekregen en bij de andere ouder is een halfzusje geboren. Olle wordt aangemeld omdat hij fantasieverhalen vertelt en veelvuldig in zijn broek plast. Hiervoor was hij zindelijk.

Olle komt graag naar de spelkamer. Hij laat in zijn spel zien dat er vele partijen zijn. Soms zijn er overlopers waarmee Olle laat zien dat hij het overzicht kwijt is wie bij wie hoort. Na een tijd zegt Olle tegen zijn mama dat hij niet meer naar de spelkamer wil. Moeder bespreekt dit met mij en geeft aan wat ik ook zie bij Olle: hij vindt het heerlijk om te komen spelen. Wat zou er aan de hand kunnen zijn? Olle vindt spelen leuker dan praten. Ik probeer het met de weerberichtjes. Olle kan zo laten zien hoe hij zich voelt als hij naar de therapie toe rijdt en hoe hij zich voelt als hij net binnen is. Olle zegt: ik voel me dan net als wanneer ik naar papa ga. Aha! Olle herkent het niet fijne gevoel …. We gaan verder met de weerberichtjes en we zien nog meer gelijkenissen: na een tijdje is het in de spelkamer wel fijn, net als wanneer Olle bij papa is!

Daarna laat Olle in het verbeeldende spel zien dat mama het aller-allerbelangrijkste is in zijn leven. Hij wil met haar verbonden zijn, altijd en overal.

We ontdekken dat Olle bang is dat mama hem vergeet als hij niet bij mama is. Olle maakt enorme cadeau’s voor mama in de spelkamer. Ik leg uit dat het hart van mama’s en papa’s groot genoeg is om van meerdere mensen tegelijk te houden. Ik vertel hem dat hij altijd in het hart van mama zit, ook als hij niet bij haar is. En dat geldt ook voor papa.

Olle is verbaasd! Kan dat echt? Ja, Olle, dat is echt zo…

We spelen verder en de week erna maakt Olle iets voor zichzelf! Hij schrijft uitgebreid zijn naam in het zand.

Olle liet zijn loyaliteitsconflict van thuis terug komen in de spelkamer. Hij vond het heel fijn om naar de therapie te komen maar dan was hij niet bij mama! En hoe kon hij het nou fijn vinden bij mij in de spelkamer zonder mama te kwetsen?

Olle heeft het nog even nodig gehad om te voelen, te horen en te ervaren dat mama er altijd voor hem is en zal zijn. Langzaam kreeg Olle het vertrouwen dat hij naar papa toe kan zonder dat mama daar verdrietig van wordt of hem vergeet. En dat wanneer hij bij mama is dat papa dat ook prima vindt.

Olle laat daarna in zijn spel meer rust zien. Er zijn geen overlopers meer, er zijn minder spelfiguren en het is duidelijk wie, wat deed.

Ervaringen van ouders

“Je kwam op ons pad en je verhaal over wat speltherapie inhield bleek voor ons kind heel geschikt!”

“De frequentie van de oudergesprekken was prima, het was leerzaam zodat onze aanpak jouw therapie versterkte.”

“De metafoor van het gaspedaal en de rem werkt echt!”

“Wij vonden beiden de oudergesprekken erg fijn! De frequentie was prima en het waren altijd, in onze ogen eerlijke, open en oprechte gesprekken, erg fijn om te horen hoe zijn ontwikkeling verliep in de therapie.”

“De bereikbaarheid van jouw was super, altijd via de mail een antwoord en dat zonder daar dagen op te hoeven wachten. Ook vond ik het niet moeilijk je te mailen als ik ergens mee zat, je staat open voor vragen van ouders en dat heb ik als erg prettig ervaren!”

“Je betrokkenheid bij ouders en openstaan voor hun vragen of gevoelens is erg fijn. Als ouder bevindt je je al in een lastig parket als je kind niet lekker in zijn vel zit, het is fijn als er dan iemand naar je luistert.”

“Yvonne, wij zijn heel erg blij met jou als therapeute voor onze Pim en dat je hem zo goed geholpen hebt, hij zit echt lekker in zijn vel. Op school gaat het heel goed en een hij lijkt echt een vriendje in Maik gevonden te hebben! Wat heb je als ouder nog meer te wensen…..als we ooit denken er moet weer iets gebeuren dan schakelen we zeker je hulp in, al denk ik dat Pim in korte tijd veel had mee gemaakt en dat dit hem de das heeft om gedaan.”

Ziekenhuis

Milou speelt uitvoerig het thema ziekenhuis uit. Het gaat om de kinderen in het ziekenhuis. De kinderen in het spel vinden het fijn als de ouders aanwezig zijn in het ziekenhuis. Tijdens het spelen vertelt Milou over de keren dat oma in het ziekenhuis lag en komt ook haar eigen ziekenhuiservaring ter sprake. Milou laat haar behoefte aan (fysieke) nabijheid en aan ‘samen zijn’ zien in het spel. Het lijkt erop dat ze zich op enkele momenten erg alleen heeft gevoeld. Dit gevoel kan voortkomen uit het minder beschikbaar zijn van beide ouders tijdens de ziekenhuisopnames en de spanningen die er bij hoorden. Maar er zijn helpers aanwezig in het spel. Hiermee laat Milou zien dat ze weet dat er hulp komt.

Macht & onmacht

We spelen dat Stef een gemene boef is en de speltherapeute de politie. De boef pikt geld uit de winkel. De politie probeert hem tegen te houden. De politie heeft geen wapens, de boef wel, hij heeft zwaarden en drie pistolen met verschillende sterktes. De politie wordt gevangen genomen en in de boeien geslagen door de boef. De politie kijkt toe hoe de boef oefent met schieten. Hij voelt zich sterk en machtig. De boef is tevreden met zichzelf.

De politie zegt dat ze honger heeft. De boef vraagt wat de politie lekker vindt en wat ze vies vindt. Ze krijgt het vieze eten. Stef geniet zichtbaar van deze macht.

Dan overvalt de boef de bank, hij wil meer geld. De bankmedewerker wordt gespeeld door de therapeut. De bankmedewerker vraagt de boef dit niet te doen want dan krijgt ze op haar kop van haar baas. Daar trekt de boef zich niks van aan en hij gaat door.

Stef heeft het aan het begin van de therapie nodig om sterk en machtig te zijn als compensatie voor zijn ervaren onmacht in een schoolsituatie. Op deze manier laat hij de speltherapeute voelen wat hij gevoeld heeft en maakt haar zo duidelijk dat hij moeite heeft met opdrachten. Na verloop van tijd neemt de intensiteit van het spel af. De therapeute mag vaker spelinbreng geven. Op school lijkt Stef rustiger te reageren op opdrachten. Hij kan luisteren naar wat er gezegd wordt en ervaart het minder als iets wat hem ‘opgelegd’ wordt.

Aan het einde van een therapieproces schreef de moeder van een dapper meisje het volgende:

“Yvonne is een heel hartelijk persoon en als je daar voor het eerst binnenkomt voel je je al snel op je gemak. Ze neemt de tijd voor je en de rust, ze is zo rustig, hoeveel zorgen je ook maakt over je kind, Yvonne, weet zo’n rust uit te stralen dat je er zelf ook rustig van wordt. Ze legt alles heel goed uit en geeft je tips voor de toekomst, hele makkelijke simpele dingen waar je zelf niet aan denkt en die makkelijk toe te passen zijn. Mijn dochter heeft bij Yvonne rust gevonden en voelde zich veilig en vertrouwd en ik heb een heel ander kind terug gekregen!!
Bedankt! Ik hoop dat je zo door kan gaan en nog vele ouders en kinderen op deze manier mag en kan helpen.”

Vriendschap

“Finn begon als een onzeker, klein manneke aan de speltherapie. Finn was een stuk jonger in zijn doen en laten dan zijn leeftijdsgenootjes toen hij aan de speltherapie begon. Door de speltherapie heeft Finn veel meer zelfvertrouwen gekregen en is daardoor een jongen van zijn eigen leeftijd geworden. Van de week zat Finn binnen met twee vriendjes, ik zat buiten en kon hen horen. Ze zijn met z’n drieën een boek aan het schrijven over vriendschappen. Emiel zei: Finn is aardig geworden. Finn en Jurre moesten lachen waarop Emiel zei: ja, eerst was je af en toe aardig en nu ben je altijd aardig. Dit is wel een super mooi voorbeeld van hoe de speltherapie Finn heeft geholpen met zijn gevoelens om te leren gaan en niet de negatieve gevoelens te uiten op een vervelende manier naar zijn vriendjes toe.”

Geschreven door de moeder van Finn.

Boos!!

Voor Koen is de boksbal een uitlaatklep voor frustraties en agressie. Koen kan zich hierop uitleven zonder schuld gevoelens of angst voor kapot materiaal. Koen neemt deze “ruimte” echter alleen aan als ik ook een beschermende grens geef door Koen eraan te herinneren dat ik verantwoordelijk ben voor hem en het materiaal. Tijdens het boksen kijk ik goed naar de behoefte van Koen. Ik zie dat hij niet alleen met zijn handen wil boksen, we zoeken samen naar een manier om te kunnen schoppen. Koen kan zelf aan te geven of het voldoet aan zijn wensen. Ik ben er om de kaders aan te geven. Als Koen verder bokst ondersteun ik zijn spel door geluiden te maken als ‘wauw, bam!’ of door te verwoorden wat ik zie ‘hier pak aan!’. Het geeft Koen nog meer de mogelijkheid om zijn diepste frustratie te uiten op een acceptabele manier binnen de veilige plek die de spelkamer biedt. Na het boksen is Koen meer ontspannen en komt hij toe aan ander spel.

Het ontdekken

Merijn is 7 jaar en komt voor het eerst naar de spelkamer. Samen met de therapeute ontdekt hij de spelkamer.

Merijn:Ja, want anders zit ik aan de kraan en dan wordt ‘t uh…(Merijn kijkt van de kraan naar de therapeute en lijkt niet te weten wat te doen).
Th.:Je wilt de kraan niet vies maken…(Merijn knikt bevestigend) want dan denk je dat je alles op moet ruimen. (Merijn knikt weer). Er is ook nog iets heel speciaals aan de spelkamer.
Merijn:Wat dan?
Th.:Je hoeft hier niet op te ruimen.
Merijn:Ja?
Th.:Ja.
Merijn:Wie doet dat dan?
Th.:Ik. Dat is wel anders, op andere plekken moet je altijd opruimen, hier hoeft dat niet.

 

Vertrouwen opbouwen

Janneke is 6 jaar en woont in een pleeggezin. Ze heeft veel nare dingen meegemaakt en weet niet wie ze kan vertrouwen. Eigenlijk vertrouwt ze alleen zichzelf.

Janneke besteedt veel aandacht aan het neerzetten van het speelgoed. Ze zet hekken om haar fort heen ter bescherming. Pas als Janneke vindt dat haar plek voldoende beveiligd is kan het spel starten. De therapeute merkt op dat Janneke met de hekken kan regelen welke ridders naar binnen mogen en welke niet. Zo kan Janneke ervaren dat zij invloed heeft op het spel en ook op haar leven.
De therapeute laat de ridders hardop overleggen over de strategie. Janneke krijgt de tijd om te zien of het spel gaat zoals zij wil. De therapeute verwoordt eigenschappen en gevoelens van de spelfiguren, dit neemt Janneke voorzichtig over. Janneke vertelt aan de therapeute hoe het verhaal zal verlopen.

(Pleeg)ouders geven aan dat Janneke thuis rustiger is sinds zij speltherapie heeft. Ze merken dat Janneke beter kan vertellen wat er aan de hand is. Ze laat in de thuissituatie al zien wie ze vertrouwt.

Samen

Lola ziet het kasteel en wil ermee spelen. Ze zet figuren binnen en buiten het kasteel neer. Buiten het kasteel zijn de boeven. Lola vraagt ‘wie ben jij?’ Ik vraag ‘bij wie hoor ik?’ ‘Bij mij’, zegt Lola. We strijden samen tegen de boeven. Lola zoekt een ridder die kan slaan. De poort gaat dicht en weer open. Het gevecht gaat verder. De boeven hebben de tank en gaan de poort open schieten. Een vliegtuig stort neer in het kasteel. De poort gaat weer dicht want er komt een tank aan. We krijgen versterking. Ze geeft onze ridders nog een ‘shot-gun’ want ‘we gaan de boeven slopen’. Lola vertelt hoe het verder gaat: wij springen op de tank en overmeesteren de man in de tank. En misschien zijn wij sterker, zegt Lola. Samen vallen we aan.

In dit korte stukje lees je dat Lola de strijd niet alleen aan durft. Ze heeft heftig materiaal nodig maar ook de steun van het ‘samen doen’. Later verandert dit en durft ze tegen mij te strijden! Zo laat ze zien dat ze zich sterker voelt.

Ruimte bieden

Th.      : Ik ga weer gooien in de hoeken.(van de goal)
Pieter : Ja. Wow! (bal vliegt aan de kant van het ziekenhuisje voorbij). Kijk. (gooit bal richting het ziekenhuis)
Th.      : Kijk.
Pieter : (gooit) …Oh.
Th.      : Je wou eigenlijk kijken wat er gebeurde als je de bal in het ziekenhuis zou doen.
Pieter : Ja.
Th.      : Ja?
Pieter : Nee, gaan we niet doen.
Th.      : Niet doen?
Pieter :Nee, anders slopen we het.
Th.      : Je bent bang dat je het kapot maakt. (we lopen naar het ziekenhuis toe) Zou dat gebeuren als je met zo’n bal in het ziekenhuis gaat gooien? (Pieter pakt de bal uit mijn handen, lach         verschijnt op z’n gezicht)
Pieter : Ik durf het niet (duidelijk hoorbaar in zijn stem dat hij het wel wil maar niet durft, hij klinkt heel dicht bij zichzelf).
Th.      :Je durft het niet. Je bent bang dat iets stuk gaat want jij bent heel zorgzaam.
Pieter :Toek (gooit voorzichtig de bal in het ziekenhuis, 1 popje valt om).
Th.     : Toek.
Pieter : Zie je zo’n klein poppetje (gooit bal weg en gaat er achter aan, van het ziekenhuis weg)
Th.     : Ja. Maar kijk eens Pieter hij is niet kapot.
Pieter : Oh (verbazing).
Th.    : Ik zou jou geen dingen laten doen, expres, waardoor iets kapot gaat. Ik zorg er natuurlijk voor dat dat niet gebeurd.

Door te benoemen dat Pieter zich beperkt voelt door de angst om iets stuk te maken en door als therapeut de verantwoording te dragen wordt op empatische wijze ruimte geboden aan de behoefte van Pieter om te exploreren. Door aan te geven wat kan (en wat niet) biedt de therapeut bescherming en werkt het angstreducerend. Zo kan Pieter zijn gevoelens ervaren. Er ontstaat vertrouwen bij Pieter dat hij zijn gang kan gaan omdat de therapeut zorgt voor hem en het materiaal. Hierdoor leert Pieter te vertrouwen op zijn omgeving.